Is Marcel Hulspas een racist?
In het jongste nummer van NWT Magazine heeft Marcel Hulspas een artikel over ‘duistere wetenschap’ — over zaken die eigenlijk taboe zijn maar waar de wetenschap wel wat over te zeggen heeft. De redactie van het tijdschrift is er kennelijk trots op, want het stuk wordt op de kaft aangekondigd met ‘Taboes doorbroken: het nut van racisme en verkrachting’.
Hulspas hangt zijn verhaal op aan de publicatie van de ‘Nederlandse Wetenschapsagenda’ door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, en in het bijzonder de agenda voor de sociale wetenschappen zoals die daarin is verwoord. Die is hem veel te goeiig: ‘vooral bedoeld om brave burgers bij te staan’ en om goed gedrag van wetenschappelijke goedkeuring te voorzien. Maar wetenschap, zegt Hulspas, ‘kent geen goed of fout’, dus daarom wil hij de boel eens opschudden met ‘vijf volstrekt onaanvaardbare gedragingen — en waarom de wetenschap ze goedkeurt.’
Dat oogt meteen al een beetje slordig: een zin daarvoor beweerde hij nog dat wetenschap geen goed of fout kent, hoe kan wetenschap dan gedrag goedkeuren? De vijf volstrekt onaanvaardbare gedragingen waar Hulspas het over wil hebben zijn vreemdgaan, racisme, verkrachting, kindermoord en hoerenlopen. Aan elk onderwerp wijdt hij een kort hoofdstuk — ik had het graag over elk gehad, maar de ruimte op internet is nu eenmaal beperkt.
De wetenschap heeft, zoveel is zeker, veel te zeggen over racisme, maar het zijn niet de dingen waar Hulspas het, in de contramine, over heeft.
‘Rassenonderzoek,’ zo begint hij, ‘is al ruim een halve eeuw taboe.’ Weliswaar bespreekt hij vervolgens om zijn punt te maken ettelijke recente onderzoeken naar rasverschillen, dus zo zwaar is het taboe niet, maar dat taboe heeft hij later in zijn verhaal nodig. Belangrijker is, dat het direct al niet over racisme gaat — laat staan over de goedkeuring die wetenschap daaraan geeft — maar over rassenonderzoek: ‘of er, afgezien van huidskleur, nog meer aangeboren verschillen tussen rassen bestaan’. Wat een ras is en hoe zoiets bepaald wordt, laat hij in het midden, maar uit de rest van zijn verhaal blijkt het alleen te gaan om wit, zwart en heel even wat geel. Andere indelingen, zoals van Linnaeus (in vijven), Buffon (zes, later vijf), Malte-Brun (zestien) en Morton (vijf, met 22 families) worden niet genoemd, en ook de tot op hoog Amerikaans juridisch niveau uitgevochten vraag of ‘een druppel’ voldoende is om zwart te zijn of dat 1/32 voorouder volstaat, laat hij onbeantwoord.
Dat er ondanks het taboe kennelijk toch wel ‘rassenonderzoek’ wordt gedaan, blijkt meteen uit de volgende alinea, waarin IQ-verschillen tussen Aziaten, blanken en ‘mensen van Afrikaanse afkomst’ (bedoeld wordt in dit verband niet: Marokkanen en Boeren) ter sprake komen. ‘Het merkwaardige is dat dan vaak met twee maten wordt gemeten,’ aldus Hulspas, want als eruit komt dat zwarten slechter scoren deugt de test niet, en als eruit komt dat Aziaten hoger scoren deugt de test wel en moeten we in het westen oppassen. Dat meten met twee maten gebeurt kennelijk ‘vaak’, maar waar dat gebeurt, staat er niet. Journalisten wordt geleerd de lijdende vorm te vermijden, niet omdat dat saaie zinnen geeft, maar omdat de helft van de bewering kan worden weggemoffeld. Meer over het IQ-onderzoek en de reacties daarop komen we niet te weten.
‘Verschillen ontdekken tussen blank en zwart is taboe,’ herhaalt Hulspas. ‘Deels verantwoordelijk daarvoor is de beroemde evolutiebioloog Stephen Jay Gould.’ Pin hem er niet op vast, het is ‘deels’, maar je zou waarachtig toch wel aan andere verantwoordelijken, wereldleiders en zo, kunnen denken.
Waarom haalt Hulspas Gould erbij? Omdat Gould zich, alweer volgens een recent artikel, zou hebben vergaloppeerd bij het aan de kaak stellen van de beweringen van bovengenoemde Morton. Gould wilde in 1978 in een artikel in Science zijn collega’s ervan doordringen dat zij hun resultaten bijna onvermijdelijk en onbewust aanpassen aan hun verwachtingen, en hij gebruikte Morton als voorbeeld. Die mat de inhoud van honderden schedels, en concludeerde in 1839 dat het blanke ras de grootste inhoud had, en het zwarte de kleinste (met de Hottentotten als hekkensluiters). Door een beetje met de cijfers, de metingen en de criteria te foezelen, kwam Morton tot het gewenste resultaat, aldus Gould.
Het zou echter kunnen dat Gould daar niet minder het slachtoffer van was, opperden onderzoekers deze zomer in Plos Biology. Zij maten een deel van de schedels van Morton opnieuw, liepen zijn berekeningen na, en konden eigenlijk weinig ongerechtigheden ontdekken. Die zaten, volgens hen, veeleer in het artikel van Gould.
Het laatste woord hierover is uiteraard nog niet gezegd, maar voor Hulspas is de zaak hiermee beklonken: ‘Zwart en blank zijn gewoon anders.’
De sprong in de logica zal duidelijk zijn: als Gould ongelijk had, betekent dat niet dat Morton gelijk heeft, en als Morton niets heeft misdaan, betekent het niet dat zwart en blank ‘gewoon anders zijn’.
Zeker niet op de manier die Morton zelf voor ogen stond. Morton deed zijn onderzoek, begin negentiende eeuw, om te bewijzen dat de Voorzienigheid alle rassen al bij de Schepping op hun juiste plek had gezet. Het toen ook wel geopperde idee dat de hele wereldbevolking uit Afrika kwam, schoof hij ‘met een enkel feit’ terzijde — de zondvloed was immers, in 1839, pas 4179 jaar geleden terwijl er 3445 jaar geleden aantoonbaar al zwarte Ethiopiërs waren. In die 734 jaar kan zich geen ras ontwikkelen, zei hij. Morton was er al evenzeer van overtuigd dat het Kaukasische ras zich, met zijn ‘goed-geproportioneerde gelaat’, ‘onderscheidt door het gemak waarmee het de hoogste intellectuele prestaties levert’. Hottentotten daarentegen zijn ‘de dichtste benadering van de lagere diersoorten’, waarbij ‘de vrouwen nog weerzinwekkender schijnen te zijn dan de mannen’.
De antropologen die Gould de maat namen, een groep onder leiding van Ralph Holloway, voegden overigens uitdrukkelijk aan hun verhaal toe dat ze ‘andere zaken in het werk van Gould bewonderen, vooral zijn krachtig verzet tegen racisme.’
Terug naar Hulspas — ‘zwart en blank zijn gewoon anders’. De essentie van racisme lijkt hij nog steeds niet begrepen te hebben: dat een groep, op grond van een betrekkelijk willekeurig uiterlijk kenmerk, anders wordt behandeld dan een andere, en dat individuen allereerst op grond van het groepskenmerk worden beoordeeld.
Terzijde, dat een groep die slechter behandeld wordt, zich verenigt en gelijke rechten eist, betekent volgens mij niet dat ze het met de definitie eens zijn. Zwarten die voor gelijke rechten strijden en zich tot een groep verenigen, zijn daarmee niet, zoals Hulspas lijkt te denken, racistisch.
Hoe dan ook, dat mensen met een zelfde huidskleur en een gemeenschappelijke afkomst, ook andere eigenschappen delen, is niet verwonderlijk. Zeker niet als ze, bijvoorbeeld door discriminatie en vervolging, hechte gemeenschappen zijn gaan vormen. Ze zijn gevoeliger voor bepaalde aandoeningen, kunnen melk of juist malaria beter de baas, delen allerlei genetische eigenschappen.
Dat brengt ons tot het voorbeeld waarmee Hulspas zijn betoog over racisme afsluit, de fameuze Bidil-affaire. Hulspas schrijft, na een uitleg dat zwarten soms anders op medicijnen reageren dan blanken: ‘Zo maakte enige jaren geleden het Amerikaanse bedrijfje NitroMed bekend dat het een middel tegen hart- en vaatziekten op de markt wilde brengen, speciaal voor zwarten.’
Wij spreken hier over 2005, toen NitroMed het medicijn Bidil op de markt mocht brengen. Dat mislukte jammerlijk, en NitroMed verkocht het hele zaakje in 2008, waarna er niets meer van is vernomen. Bidil was trouwens tegen hartfalen en niet tegen hart- en vaatziekten. Het was niet speciaal voor zwarten maar voor ‘iedereen die zichzelf zwart noemt’.
De ratio achter het middel was op z’n minst dubieus — het werd bedacht in 1987 maar het werkte niet goed genoeg, wat de onderzoekers ook probeerden. Tot zij, na diverse afwijzingen, hun tabellen nog eens doorkeken, en zagen dat het in een subgroep van African Americans wel leek aan te slaan. Na een nieuw octrooi, een nieuwe trial en de nodige druk besloot de Amerikaanse overheid het middel toch maar toe te laten.
Er werd ook toen al veel over geschreven, met redeneringen precies zoals Hulspas ze hier huldigt. Bidil gold en geldt in bepaalde kringen inderdaad als bewijs dat rasverschillen reëel zijn — ‘zwart en blank zijn gewoon anders’. Niet minder, maar anders. Genetica bewijst eindelijk, na al het schedel- en hersenonderzoek, wat zij al zo lang en zo graag beweerden. Zie je wel dat rassen echt bestaan? Bij joden komt ook meer borstkanker voor dan onder andere groepen — je bewijst ze toch een dienst als je dat gaat onderzoeken? Dan ben je toch geen racist?
Nee, dan ben je geen racist, en Marcel Hulspas is natuurlijk ook geen racist. Hij is, laten we zeggen, een beetje onnadenkend. Rassen zijn achttiende-eeuwse sociale constructies waarmee, om wat voor reden dan ook, mensen in handzame categorieën konden worden verdeeld, maar dat betekent niet dat die categorieën enige wetenschappelijke basis hebben. Dat gelooft geen enkele onderzoeker nog.
Het denken in bevolkingsgroepen en risicofactoren, in rassen en predisponerende genen is ingewikkeld, en daar moet je niet als een olifant doorheen om modern wat taboes te pletten. Voor je het weet speel je in de kaart van types wie je niet in de kaart wil spelen. Juist de geschiedenis van schedelmeting en van Bidil laat zien dat racisme altijd op de loer ligt, en hoe het van wetenschap misbruik weet te maken. Er zijn meer, en akeliger, voorbeelden.
Het gaat mij niet om Hulspas of om NWT Magazine. Het gaat erom dat wij steeds vaker onderzoeken waarin verbanden tussen fenotype en genotype, tussen groepslidmaatschap en vatbaarheid voor ziekte of medicijnen worden vastgesteld — en misschien zelfs tussen herkomst en IQ, wie zal het zeggen — op ons bordje zullen krijgen. Ik vind dat wij als wetenschapsjournalisten buitengewoon behoedzaam moeten zijn op dit terrein, en elke keer moeten proberen duidelijk te maken wat het verschil is tussen fenotype en genotype, dat het een weinig over het ander zegt, dat biologische ongelijkheden geen maatschappelijk ongelijkheden kunnen rechtvaardigen, dat variatie binnen groepen meestal groter is dan tussen groepen, enzovoort enzovoort. De val staat wagenwijd open, wie tussen neus en lippen beweert dat ‘blank en zwart gewoon anders zijn’, trapt er met open ogen in.
Hans van Maanen



